Aandachtpunten voor het rijden in een groep.
Zorg dat je met een volle tank benzine vertrekt en gooi je tank weer vol als er een tankstop wordt ingelast.
Bij vertrek formeert de groep zich op een veilige plaats. Personen met een lichte motor of personen met minder ervaring rijden zoveel mogelijk voorin. Voorin rijden heeft namelijk het voordeel dat makkelijker een constant tempo aangehouden kan worden. Door het “harmonica-effect vallen achterin eerder gaten, die “dichtgereden” moeten worden. Hierbij ligt de snelheid achterin aanzienlijk hoger.
Om de zichtbaarheid – het gezien worden en dus de veiligheid – te vergroten, wordt gedimd, groot licht gevoerd. Geen groot licht, want dat is storend voor je voorganger vanwege de weerkaatsing in zijn (of haar) spiegels.
Heb je bij vertrek een positie in de groep ingenomen, blijf daar dan zoveel mogelijk rijden. Onderling inhalen tijdens de rit kan tot schrikreacties en gevaarlijke situaties leiden.
Rijdt iedereen recht achter zijn voorganger, dan wordt de groep erg lang, waardoor onveilige situaties kunnen ontstaan. De meest veilige formatie is “om-en-om”, d.w.z. als de eerste motor links van het midden op de rijstrook rijdt, de volgende motor rechts van het midden positie kiest; de volgende weer links, enz. Het voordeel hiervan is, dat de afstand tot je voorganger beperkt kan blijven, maar de afstand tot de recht voor je rijdende motor voldoende groot is om in noodsituaties bijtijds te kunnen stoppen.
De aan te houden afstand tot je voorganger kan sterk verschillen en is onder meer afhankelijk van de snelheid die gereden wordt, je reactie- en remvermogen en je gevoel van veiligheid.
Binnen de bebouwde kom kan de tussenafstand door de lagere snelheid verkleind worden. Komt de groep tot stilstand (bij een stoplicht of voor een kruising) stel je dan twee-aan-twee naast elkaar op.
Als je vindt dat het tempo te hoog is, minder dan snelheid en laat “een gat vallen”. Als je merkt dat je achterligger ver achter blijft, minder ook dan je snelheid. Dit effect zet zich naar voren toe door, zodat uiteindelijk de voorste rijder zal merken, dat hij de groep kwijt is en hij het tempo moet aanpassen.
Haal medeweggebruikers in op eigen verantwoordelijkheid en alleen (zelf kijken en beslissen) wanneer het kan. Rijdt niet “blindelings” achter je voorganger aan (geen “zwaan-kleef-aan”), maar let op achterop- en tegemoetkomend verkeer. Iedere groepsdeelnemer haalt pas in als hij/zij eraan toe is. Voorkomen dient te worden dat de gehele groep ineens naar links gaat, omdat dan de inhaalmanoeuvre onnodig lang duurt.
Ook het goed invoegen is van belang en kan bij geringe snelheidsverschillen tot gevaarlijke situatie leiden. Voeg alleen in als er voldoende ruimte is. Probeer voor aanvang van de inhaalmanoeuvre in te schatten of er voldoende ruimte is om weer in te voegen; begin er anders (nog) niet aan.
Als een medeweggebruiker met dezelfde snelheid oprijdt (en er dus weinig ruimte is om in te voegen) haal dan niet in. Laat ook voldoende ruimte vallen als een medeweggebruiker de groep inhaalt.
Valt de groep uiteen (omdat niet iedereen het verkeerslicht of de kruising tegelijk kan nemen), dan stopt de laatste in de doorrijdende groep bij de eerstvolgende afslag van de doorgaande route en wacht daar de achterblijvers op (kies een goed zichtbare, maar veilige stopplek). Diegene die dan als laatste rijdt wacht weer bij de volgende afslag. Enzovoort. Ga weer rijden als de achterblijvers jou gezien hebben.
Als je de achter je rijdende motor niet meer ziet, stop dan. Je voorganger zal dat ook doen. Na enige tijd staat alles stil en kan iemand terug rijden om poolshoogte te nemen.
Uiteraard geldt dit niet op de autosnelweg. Als daar iets gebeurt, dan stuurt de achterrijder iemand naar voren om de groep op een veilige plaats te laten stoppen, dan wel om hulp te halen.
Houdt er rekening mee, dat een groep motorrijders op het overige verkeer heel bedreigend over kan komen, hetgeen agressie of een schrikachtige reactie kan oproepen. Denk ver vooruit en rijdt defensief.